De bus

‘De bus is een belangrijk deel van mijn examen,’ zei zoonlief enigszins plechtig. Hij had even daarvoor gevraagd of ik niet eens een stukje wilde schrijven over de bus. Ik was wat verbaasd, want ik zag niet zo in, waarom dat zo’n belangrijk onderwerp zou zijn. Maar hij zag dat dus anders.

Een van de redenen om voor Agora Groesbeek te kiezen, was dat zoonlief er een eindje voor zou moeten fietsen. Bewegen is gezond, en zeker voor iemand die moeite heeft met stilzitten leek het ons goed ’s ochtends voor school al even in beweging te komen. Hij heeft ook geen hekel aan fietsen, maar is wel een echte mooiweerfietser. Bij ieder dreigend spatje regen komt er de vraag: mag ik met de bus? En ik moet bekennen dat we daar meer aan toegeven dan me lief is.

Waarom vind je de bus dan zo fijn, vroeg ik? ‘Dan hoef ik helemaal niks,’ antwoordde hij met een gelukzalige glimlach. Hij deed zijn ogen even dicht, alsof hij zichzelf alweer zag zitten: koptelefoon op, muziekje aan, en zich laten vervoeren.
Plotseling herinnerde ik me hoe dat vroeger in de auto ging, toen hij nog klein was. Hij was een ontzettend beweeglijk kind, kon geen minuut stilzitten (nog steeds niet trouwens), en was ’s avonds niet in slaap te krijgen. Maar zodra wij met het gezin in de auto stapten, was hij degene die dromerig naar buiten keek, en meestal viel hij al snel in slaap. Tot onze verbazing overigens, want wij dachten juist, dat hij met al z’n energie wel wat beweging nodig zou hebben en onhoudbaar zou worden in de kleine ruimte van zo’n auto.

Dat vroeg ik hem dan ook vandaag: ‘Maar moet je je energie niet kwijt op de fiets?’ Hij schudde zijn hoofd: ‘Ik heb altijd energie, dat voel ik dan gewoon van binnen. Ook al ben ik moe, dat is heel gek.’ En ik realiseerde me, dat hij de inkadering van zo’n schommelende auto of bus misschien wel nodig heeft, om dat opborrelende gevoel van energie weer te laten zakken. Zo leer ik iedere keer weer opnieuw kijken naar zijn schijnbare tegenstrijdigheden.